
Wet omzetting tak Rijksdienst, omvattende de Staatsmijnen in Limburg, in een naamloze vennootschap
Artikel 5
1
De wet van 29 december 1928 (Stb. 1956, 384) tot aanwijzing van de tak van Rijksdienst, omvattende de Staatsmijnen in Limburg, voor een beheer als bedoeld in artikel 88 der Comptabiliteitswet (Stb. 1927, 259) treedt bij de oprichting van de vennootschap buiten werking. Eerstgenoemde wet blijft echter van kracht ten aanzien van het tot aan dat tijdstip gevoerde beheer van deze tak van Rijksdienst, totdat zij op een door Ons te bepalen tijdstip vervalt.
2
De in artikel 3, derde lid, onder a en b, van eerstgenoemde wet bedoelde bedragen, welke op het tijdstip van oprichting der vennootschap door die tak van Rijksdienst bij de Staat zijn opgenomen, worden van dat tijdstip af geacht onder dezelfde voorwaarden door de vennootschap bij de Staat te zijn opgenomen.
3
De bedragen, welke op het tijdstip van oprichting der vennootschap door die tak van Rijksdienst bij de Staat zijn gestort hetzij als uitkering ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Bedrijvenwet (Stb. 1928, 249) hetzij als vlottende middelen zijn van dat tijdstip af door de Staat onder dezelfde voorwaarden aan de vennootschap verschuldigd.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.